Een aantal Neerlandici heeft bijgedragen aan een bespreking van de gedichten van Vasalis. De bijdragen zijn als volgt:

# Bijdrage 1: De dichter en de Dood

Deze bijdrage is verzorgd door: John Vorenkamp

De dood

De Dood wees mij op kleine, interessante dingen:
dit is een spijker –zei de Dood – en dit een touw.
Ik zie hem aan, een kind. Hij is mijn meester
omdat ik hem bewonder en vertrouw,
de Dood.

Hij wees mij alles: dranken, pillen,
pistolen, gaskraan, steile daken,
een bad, een scheermes, een wit laken
‘zomaar’- voor als ik eens zou willen
de dood.
En vóór hij ging, gaf hij me nog een klein portretje….
‘Ik weet niet, of je ’t al vergeten was,
het komt misschien nog wel te pas
voor als je eens niet meer zou willen
sterven,
maar wie let je?’
zei de Dood.

Uit: Parken en woestijnen

Dichters schrijven over de dood. Of over het leven. Zij schrijven over de geliefde, als die er niet meer is. Vasalis is een dichter als alle andere. Ja ook zij schrijft over de dood. En hoe.

De dood, zo is de heldere titel van dit gedicht, verscheen in Parken en woestijnen, Vasalis’ eerste bundel (1940). Zij was toen 31 jaar. De Tweede Wereldoorlog was begonnen. Vasalis komt met een bundel met de tweezijdige titel Parken en woestijnen; parken als lieflijke landschappen en woestijnen als onherbergzame terreinen. Plaatsen waar je je wel of niet thuisvoelt, waar je wel of niet zou willen (ver)blijven. In het echt of in de geest. Na gedichten over drank, angst en de herfst, is De dood het vierde gedicht in de bundel.

En wat staat het er weer bedriegelijk eenvoudig in dit sombere gedicht. De Dood komt langs en wijst de ‘ik’ op een spijker, een touw, dranken, pillen, pistolen, gaskraan, steile daken, een bad, een scheermes, een wit laken. ‘‘Zomaar’ – voor als ik eens zou willen/ de dood.’

De Dood is in dit gedicht geen boeman. Integendeel: hij is meester en wordt bewonderd en vertrouwd. Mooier kan je het niet krijgen. Makkelijker ook niet. De keuze om weg te gaan uit dit leven is eenvoudig te maken. Lijkt het.

Maar dan, in de laatste strofe, tovert de Dood wat anders uit zijn hoed. Hij komt met een klein portretje. Van een dierbare, mag je aannemen. Misschien heb je er iets aan, zegt de Dood, ‘als je eens niet meer zou willen/ sterven.’

En dan volgt het dodelijke ‘maar wie let je?’

Hebben we het in dit gedicht over parken of woestijnen?

Deze bijdrage is verzorgd door: Martin Koster

# Bijdrage 2: De verstekeling

Deze bijdrage is verzorgd door: John Vorenkamp

Bij ieder schepsel dat geboren wordt
zijn reis begint, scheept in het ruim de dood
zich in. En maakt zich met het schip vertrouwd,
dringt door tot iedre vezel van het hout
de romp, de mast, de kabels en de touwen
de zeilen hurkend in de reddingsboot.
Het zijn de kleine kindren die hem kennen
en hem niet vrezen: zij zijn nog pas zo kort
geleden uitgevaren uit hun nacht
ze moeten aan het daglicht nog zo wennen.
Zoals schaduw bij het licht behoort
zo leeft de dood binnen het leven voort.

Uit: De oude kustlijn, p. 43

We lezen in dit vers een wijsheid over het leven, een bezinning op ons bestaan, een acceptatie van ons mensenleven: dat vanaf het begin van onze reis op de wereld vast staat dat daar een eind aan komt, ooit.

Klinkt niet in de tweede strofe de wens dat wij blijven als een kind, opdat wij als de kinderen de dood in ons leven aanvaarden, wetend dat dood en leven in zichzelf samenvallen, een geheel zijn, als organisch bij elkaar horen, zich met elkaar verzoend hebben, niet zonder elkaar horen. Een kind is niet bang voor dood. Als het moet speelt het dood, om dood zijn en dood gaan te begrijpen. Je gaat niet dood, je bent dood of springlevend. Klaar ben je.

Besef lezer, dat de dood als een onbekende gast, als een geheime passagier met je mee op reis gaat, je metgezel is, mee op reis gaat vanaf het begin, vanaf het moment dat je het licht ziet, vanaf het moment dat je uitvaart, het licht tegemoet, uit het donker en dat je uiteindelijk daarnaar terugkeert, aan het einde van de reis.

Vier zinnen, dit gedicht, dat het menselijk zijn samenvat, de menselijke existentie, balancerend tussen leven en dood, tussen ontwaken en sterven, tussen ontwaken en ontslapen.

De dood sluipt het leven binnen, scheept zich in, maakt zich als verstekeling onzichtbaar en hurkt zelfs, maakt zich als de zeilen klein. Wat is het beeld? Dat wij op weg gaan in ons leven, op reis, de wijk nemen, het ruime sop kiezen en de dood zich net als wij inscheept. Hij kent ons vaartuig, ons lichaam, waarmee wij uitvaren van binnen en van buiten.

De kinderen moeten aan het verblindende daglicht wennen, het licht dat het donker, de schaduw zichtbaar maakt en bang kan maken, zichtbaar maakt dat er naast het leven dood zijn is.

Zou het gedicht aan kracht gewonnen hebben als de levenswijsheid, de kernachtige spreuk, in de laatste twee versregels had ontbroken?

# Bijdrage 3: ‘Probeer maar´ – en ´het zal wel overgaan´

Deze bijdrage is verzorgd door: Harm Damsma

‘Kijk eens wie er zijn’ zei mijn vader. Mijn moeder staarde met een niets ziende blik tussen ons door naar de kast. ‘Zie je wel wie er zijn? Harm en Nicoline.’ Hij wilde zo graag dat we beloond zouden worden met een blijk van herkenning. Zodat we niet voor niets helemaal uit Den Haag waren gekomen. ‘Harm. En Nicoline.’ De blik van mijn moeder bleef leeg. Ze zweeg. Ik streelde haar onderarm en zei iets, ik weet niet meer precies wat. Dat het niet gaf, denk ik; dat het goed was zo. Dat ik van haar hield. En Nicoline aaide over haar dunne haar. ‘Mem,’ zei ze, met dat grappige Hollandse accent van d’r. ‘Leave mem.’

Vanochtend vroeg is de verhuiswagen gekomen. Ik heb, voor ik van huis ging, nog zoveel mogelijk meegeholpen met inladen. Maar ik moest naar Amsterdam, college geven. Nu is Nicoline weg, en Tonnie, onze hulp, heeft vanmiddag na haar vertrek het huis en extra goede beurt gegeven en daarna geprobeerd het met de resterende spulletjes een klein beetje gezellig te maken. Op het tafeltje naast de voorlopig enige fauteuil staat een bosje bloemen. Ernaast ligt een briefje dat ik nog niet durf te lezen. Ik loop met branderige ogen door de onttakelde flat, waarin mijn stappen vreemd weergalmen. Over en uit. Het is over en uit. Alles is over en uit. Ontreddering. Ik schenk mezelf een whisky in en zet Leonard Cohen op. I went to the place where I knew she lay waiting / under the marble and the snow. / I said: “Mother, I’m frightened: the thunder and the lightning. / I’ll never come through this alone. Mem. Leave, leave mem.

´s Nachts, in bed, lees ik Vasalis.
´Probeer maar´ – en ´het zal wel overgaan´:
dat zei je als ik je te hulp riep als ik iets
niet kon of me had pijngedaan.
Soms haalde je alles door elkaar, dan lachte je
wanneer ik protesteerde.
Ik geloof dat dat het enige is wat ik ooit leerde:
dat ik proberen moet en weten ‘dat het overgaat’.
Maar het was makkelijker toen je er nog was
en ik je zien kon en je stem kon horen.

Uit: De oude kustlijn

# Bijdrage 4: Vasalis voor beginners

Deze bijdrage is verzorgd door: Eddy van der Wal

Wat doet een vmbo-leerling met een gedicht van Vasalis? Wat doet Vasalis met een vmbo-leerling? Deze vragen staan centraal in mijn bespreking van het gedicht “Rebus in de bus”. Het gedicht behandel ik in een les ergens in november 2008, een vervelende gure herfstdag. Als opwarmertje loop ik met de leerlingen van klas 4 naar de balustrade van het Open Leercentrum van de nieuwe Ronerborg en laat ze naar buiten kijken. Nu het herfst is en de bladeren vallen, kun je het vroegere huis van Vasalis vanuit de school zien staan.

Vervolgens lopen de leerlingen in het Open Leercentrum langs de gedichtenposters om een favoriet te kiezen. Al snel wordt duidelijk dat een gedicht vooral ‘ergens over moet gaan’ en ‘dicht bij je moet staan’. En als het dan ook nog lollig is, dan is het gedicht ‘de jus over de aardappels’. Oei Vasalis, denk ik.

We gaan terug naar het lokaal. Een bijna Pavlov-reactie volgt als ik zeg dat het vandaag dus over gedichten gaat. De vermoeide blikken en afkeurende ahhhhhh’s zijn niet van de lucht. De opmerking dat ze uiteindelijk met hun reacties in de krant komen, zorgt voor enige aandacht.

Rebus in de bus

Wie zaten er vanochtend in de bus
behalve de chauffeur wiens roze wang
zo vloekte met zijn mooie rooie haar.
Een woeste oude boer met grijze ogen
en zijn gezicht in aanslag, en een woelig kind
doofstom, dat met zijn eigen dunne vingers praatte.
Een vrouw van vijftig, een zigeunerin of zo
ze stapte uit bij het woonwagenkamp
ze had een luipaard-jasje aan en kleine oren.
Een papoea-familie, drents van spraak
zo lief, zo lelijk en zo onbevangen.
Ik zat en luisterde en zag het aan
eerlijk gezegd en tegen beter weten in
verwachtend dat nu eindelijk “De Zin”
zichzelf in deze bus zou openbaren
van al die raadselachtige aanwezigheden.
Maar nee-natuurlijk nee. De conclusie was
ik houd van mensen in een bus, ik houd van gras
en lucht. Ik rij van Groningen naar Roden.
Ik leef een tijdje. Ik begrijp het niet,
zelfs niet als ‘Het’ zo duidelijk wordt aangeboden.

Uit: De oude kustlijn, p. 24

Op het digitale schoolbord tover ik het gedicht tevoorschijn en vraag de leerlingen om het gedicht niet één, maar zelfs twee keer te lezen (zucht). We peilen de eerste meningen: saai, stom, diep, wel lief, sappig, vaag, geheimzinnig, apart en nog zo wat kreten. Het is duidelijk: Vasalis en mijn vierde klas, dat is geen liefde op het eerste gezicht.

Het wordt tijd dat de leerlingen wat vraagtekens bij het gedicht plaatsen. Waar loopt het lezen vast? Ineens zitten enkele leerlingen aan de voorste tafeltjes in het lokaal, zogenaamd omdat ze het gedicht achterin niet konden lezen. In stilte worden er vraagtekens geplaatst in het gedicht.

Wat is eigenlijk een rebus? Wat is een woelig kind? Wat wordt er bedoeld met De Zin? En wat betekent het woord Het in de laatste zin? Wat doen papoea’s in de bus van Groningen naar Roden?

Kleine inzichten bij de leerlingen ontstaan als vanzelf:
De Zin is de zin die eruit komt, als je die “rebus van mensen” klaar hebt.
Mogelijk hebben we hier te maken met de zin van het leven.
De Zin is misschien de reden voor al die verschillende mensen in de bus
Het is misschien het nut, het doel van het leven.
Zodra je het begrijpt, is het een mooi gedicht (Cruijff?)
Het gedicht laat veel opties voor iemand om te bedenken wat de boodschap is.
Hoe meer aandacht je eraan geeft, hoe mooier en diepzinniger het wordt.
Na 45 minuten sluiten we tevreden af; één heel lesuur over één gedicht van Vasalis zonder gezeur. Met wat aandacht en een beetje inzicht doet zo’n gedicht wel wat. Alleen jammer dat we nog steeds niet weten wat die papoea’s in de bus deden.

# Bijdrage 5: Ik droomde, dat ik langzaam leefde…

Deze bijdrage is verzorgd door: Jan Geerlings

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. ‘k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen…
Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur
vlammen en doven: flakkrend vuur.
-De wanhoop en welsprekendheid
in de gebaren van de dingen,
die anders star zijn, en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd…
Hoe kón ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten!

Tijd voor Vasalis…

Kwijtgeraakt: m’n eindexamenopstel , 1964, Gymnasium α. …Titel: Ik droomde dat ik langzaam leefde, langzamer dan de oudste steen…. De wereld was voor een 18-jarige in de vorige eeuw nog vol van onvoltooid toekomende tijd…op school mocht je nog poëzie uit je hoofd leren en voordragen (declameren heette dat…) en bij de opstelonderwerpen voor het eindexamen zat altijd minstens één dichtregel. Vasalis? De dichteres kende ik van mijn leraar Nederlands, maar de dichtregel was nieuw, raadselachtig, spannend, …natúúrlijk koos ik die als onderwerp en met m’n eerste lange haar voor de ogen schreef ik op een middag in mei, in een bloedheet gymnastieklokaal een verhaal over het menselijk tekort, over de vergeefse poging van een adolescent in één leven vat te krijgen op de tijd. Ik had drie uur en kreeg een 9.

De zon scheen op het Witte Huis in februari 1986. Vasalis stond al bij het hek langs het fietspad toen ik langskwam. “Nee meneer, ik heb er goed over nagedacht en uw tijdschrift en het literatuuronderwijs zijn mij uitermate sympathiek, maar ik wil niet met u praten over mijn gedichten…wat valt er te praten? Elk woord in zo’n interview is er één teveel…alles wat mijn gedichten te zeggen hebben staat er al, in mijn gedichten…” Te vermurwen was ze niet, de dichteres uit Roden, tot Tine, één van m’n leerlingen haar eindexamenscriptie aan mevrouw Vasalis wilde wijden: leuk, een dichteres uit Roden die zulke prachtige zinnen schrijft…. En het is Tine gelukt: een gesprek in het Witte Huis, óver de poëzie van Vasalis, over literatuur, over…Jammer, ik was er niet bij. Voor het mondeling had Tine een half uur. Ik gaf haar een 9.

Moraal: de poëzie van Vasalis vraagt niet om verklaring. Woorden, klank, ritme en prachtige zinnen leiden je vanzelf naar de betekenis, jouw betekenis, mits je er De Tijd voor neemt.

Omdat we niet genoeg kunnen krijgen van Vasalis’ gedichten én omdat ze zelf de link met Roden legt, volgt hier tenslotte één van de laatste gedichten van de dichteres uit het Witte Huis.

Een tijdloos gedicht, vol van tijd.

Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zweven
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt – het is een s.o.s. –
haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
“bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die vals ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe”
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.

# Bijdrage 6: Parken doen naar woestijnen verlangen en andersom

Deze bijdrage is verzorgd door: Jacob Hilbrands

Luchtspiegeling

Midden in deze woestenij
van zon, stenen en droog gewas
zie ik opeens mijn eigen land
– onaangetast door deze brand:
bleek water, mist over een wei,
zie ik hoe koel en zacht dat was.
IJl als de dunne, dode maan,
die overdag is blijven staan,
maar meer dan een herinnering,
begeerlijker dan enig ding
zie ik het verre water blinken,
trachten mijn ogen het te drinken.

Uit: M. Vasalis, Parken en Woestijnen (1940)

“Denkend aan Holland / zie ik breede rivieren,” schreef Hendrik Marsman in 1936 in zijn gedicht Herinnering aan Holland dat in 1999 werd verkozen tot Gedicht van de eeuw. Vasalis’ Luchtspiegeling is uit hetzelfde jaar, 1936, toen zij enkele maanden in Zuid-Afrika verbleef. Mogelijk kende ze Marsmans gedicht. Opmerkelijk is in ieder geval het overeenkomstige “zie ik” dat in beide gedichten aan het begin van de regel staat geplaatst. En beide dichters zien uit de verte vooral water.Gerrit Komrij noemt De idioot in het bad van Vasalis het natste gedicht in de Nederlandse literatuur. Luchtspiegeling lijkt op die titel ook aanspraak te maken, maar dat is schijn. Het is het droogste gedicht in onze literatuur. Weliswaar oogt alles heel nat na de twee beginregels, maar die nattigheid ís er niet, die ontbreekt juist. De dichteres verlangt er hevig naar en de lucht spiegelt haar het koele water voor, maar Zuid-Afrika is een hete en droge woestijn. Van ver wordt Nederland zo een zinnenstrelend waterland, net als bij Marsman.Zíjn gedicht gaat over Holland, háár gedicht over het verlangen naar dat land, haar eigen land. Naarmate hitte en droogte toenemen, groeit haar heimwee. Natuurlijk kunnen ogen niet drinken, hoezeer je ook tracht. Maar juist omdat dat niet kan, wordt door dat beeld van die drinkende ogen haar verlangen voor de lezer zó indringend versterkt dat we gulzig trachten met haar mee te drinken. Zo dompelt zij ons onder in een vergeten waarheid: de kou en de mist en het water vormen de verstilde schoonheid die ons omringt.

# Bijdrage 7: Angst

Deze bijdrage is verzorgd door: Jacob Hilbrands

Ik ben voor bijna alles bang geweest:
voor ’t donker, voor figuren op het kleed,
voor stilte, voor de schorre kreet
van de avondlijke venter, voor een feest,
voor kijken in de tram en voor mezelf.
Dat zijn nu angsten, die ik wel vertrouw.
Er is één ding gekomen, dat ik boven alles vrees
en dat mij kan vernietigen; dat ik bedelf
onder een vracht van rede, tot het wederkeert:
dat is het nuchtere gezicht van mijn mevrouw
wanneer zij ’s morgens in de kamer treedt
samen met het ontluisterd licht en dat ik weet
wat ze zal zeggen: nog geen brief, juffrouw.

Angst is het tweede gedicht in Vasalis’ eerste gedichtenbundel,
Parken en Woestijnen, die in 1940 verscheen.

Moeder

Er was niets, dacht ik altijd, denk ik nog,
dat je niet kon. Heel mooie pakjes maken
ritselend met bruin papier –
de stroeve jampot opendoen, wonden verbinden
gireren, condoleancebrieven schrijven,
voorlezen, spreken in vijf talen, bijna
verdronken honden uit het water halen
levendig luisteren naar langdradige verhalen.
Maar bij het einde van het lied zei je:
ik kan het niet, liefje, ik kan het niet.
En je bedoelde doodgaan. Uren door het mulle zand
gestrompeld, houvast zoekend met je hand.
Ook dat heb je tenslotte gekund,
beminde. En aan het strand zal ik je later vinden.
Laat me je vinden. Je kan het toch?

M. Vasalis ‘De oude kustlijn’ blz. 22